Home Kenkokai Info Wado achtergrond Wado technisch Shikukai & Sugasawa Fotoarchief Ledenpagina Links
Hironori Ohtsuka
 
Wado stamboom
 
Okinawa tode
 
Mokuso
 
Yoshin ryu jujutsu en Ken jutsu
 
 
 

 

 

 Sla er een willekeurige encyclopedie uit de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw op na en  karate nog wel eens omschreven als ‘oeroude Japanse vechtmethode’. Deze misvatting is bijna synoniem voor een aantal mythes en die aan de ontstaansgeschiedenis van het karate vastzitten. De ontwikkeling van het karate is de laatste jaren door diverse historici vrij goed in kaart gebracht. Toch lopen schrijvers als Patrick McCarthy, Graham Noble & Harry Cook - en dat zijn toch niet de minste - in hun onderzoek soms vast omdat een aantal gebeurtenissen niet meer zijn te achterhalen. Veel kennis werd mondeling hetzij via diverse kata doorgegeven. Van de zogenaamde shorei scholen als Uechiryu en het Goju zijn de wortels naar China redelijk transparant. Voor ons als wado karateka is de shorinlijn als voorloper van het shotokan natuurlijk het meest relevant. Om meer inzicht te krijgen in die ontwikkeling moeten we terug naar waar het shorin ryu tot ontwikkeling kwam: Okinawa.


Okinawa is het grootste eiland van een reeks eilanden die zich uitstrekken tussen Kyushu en Taiwan. Deze eilanden staan bekend onder de naam Ryukyu. De geografische ligging van Okinawa heeft in grote mate de loop van haar geschiedenis en daarmee de evolutie van het karate bepaald. In de 11e eeuw werd het een toevluchtsoord voor leden van de Taira clan uit Japan die de slag met de Minamoto hadden verloren. Onder hen waren diverse Bushi (krijgers) met ruime ervaring op het slagveld in zwaardkunst en ongewapend vechten (kumi-uchi in de Heian/Kamakura periode). Het zou mogelijk kunnen zijn dat dit de ontwikkeling van de vechtkunsten op Okinawa heeft beïnvloed.                                                                          

Okinawa was in het begin van de 14e eeuw onderverdeeld in drie kleine staatjes en het eiland was een bakermat voor levendige handel met diverse omringende staten. De tributaire relatie die tussen Okinawa en China in de loop van de tijd was ontwikkeld werd nog eens verstevigd in 1372. Een handelsdelegatie uit Ming China vestigde zich op Okinawa. Deze groep vestigt zich in de buurt van Naha in de wijk Kuninda. De delegatie wordt bekend als ‘de 36 families’ en bestond uit schrijvers, diplomaten, handelaren, kaartenmakers, veiligheidspersoneel etc. Het is aannemelijk dat deze groep kennis over diverse vormen van Chinese boxstijlen heeft mee genomen en daarmee de ontwikkeling van het karate op Okinawa een boost heeft gegeven. Nadat de drie staten waren verenigd in 1492 kwam het eiland onder controle van koning Sho Hashi. Zijn erfgenaam Sho Shin zou de controle over Okinawa nog verder aanscherpen door in 1490 een wapenverbod uit te vaardigen en heeft daarmee de ontwikkeling van ongewapend vechten wellicht gestimuleerd.

Oshima Hikki.
In 1609 volgde een invasie van de Satsuma vanuit Kyushu Japan. Het wapenedict wat door Koning Sho Shin aan de krijsheren op Okinawa was opgelegd werd door de Satsuma verder doorgevoerd door een totaal importverbod van alle slag en steekwapens in 1699 (Bishop). Het kan niet anders dan dat dit de ontwikkeling van het Kobujutsu en Tode  een duwtje in de rug heeft gegeven en haar groei heeft versneld. De alleenheerschappij van het Togugawa regime over Japan en de Ryukyu betekende onder andere een totale bureaucratische controle. Vrij verkeer was in die periode niet toegestaan, je had toestemming nodig van de overheid om je te verplaatsen. Dit levert echter de eerste aanwijzingen over het karate op Okinawa op. In 1762 raakt een Tribuutschip van Okinawa op weg naar Satsuma door een pittige storm uit koers. Het schip belandt uiteindelijk op het strand van Oshima op het eiland Shikoku. Aan boort van het schip bevindt zich een Samoerai genaamd Ryoen Tobe die een verslag schrijft voor de overheid over de gebeurtenissen. Het verslag staat inmiddels bekend als de Oshima Hikki. Tobe raakt in gesprek met één van de opvarenden genaamd Shiohira peichin. Deze ambtenaar van het Koningrijk Ryukyu ( peichin is een samoerairang ) geeft voor het eerst informatie over een kempo expert op Okinawa met de naam Kushanku. Volgens de overlevering was deze Kushanku als militair attaché gestationeerd in Kuninda en zou hij daar diverse demonstraties hebben gegeven.

Over het geboorte en sterfjaar van Kushanku bestaat de nodige onduidelijkheid, iets wat we bij zijn vermoedelijke leerlingen Tode Sakugawa en Chatan Yara ook tegen komen. Als geboorte en sterfjaar van Sakugawa wordt onder andere 1733 tot 1815 genoemd (Richard Kim) maar Patrick McCarthy komt na onderzoek uit op 1774 tot 1838. Naast Kushanku zou Sakugawa ook nog onderricht hebben gehad van ene Takahara peichin een kaartenmaker uit Akata.

Over Sakugawa’s pupil Sokon Matsumura hebben we al iets meer duidelijkheid en is zijn geboortejaar 1809 het meest waarschijnlijk. KBN docent André ter Veer wijst erop dat als Sakugawa inderdaad in 1815 is overleden in plaats van 1838, Matsumura dan 6 jaar moet zijn geweest en we vraagtekens mogen zetten over het aanleren van een dergelijk ingewikkeld kata als Kushanku op die leeftijd. Van de diverse varianten die er in de loop van de tijd zijn verschenen kende Matsumura, voor zover we weten, maar één Kushanku kata namelijk Yara-Kushanku. McCarthy gaat er dan ook vanuit dat Chatan Yara als doorgeefluik tussen Sakugawa en Matsumura heeft gefunctioneerd. Als dat inderdaad zo is, lijken de jaartallen al wat beter op elkaar aan te sluiten en is de overdracht in de lijn Sokon Matsumura (c. 1809 – 1901) naar Yasustune Itosu (1832 – 1915) en Gichin Funakoshi (1868 – 1957) meer sluitend.

Transmissie via kata
De shorinmeesters onderwezen hun kennis via de overdracht van kata. De originele kata hebben wel de nodige veranderingen ondergaan. We kennen allemaal wel het spelletje waarin je iemand een zin in het oor fluistert. Als de zin  de kring rond is gegaan en weer bij jou terecht komt is het origineel her en der gemuteerd. Het kan dan ook niet anders dat een kata na 100 of 150 jaar is veranderd en helemaal als ze wordt aangepast naar de inzichten van de desbetreffende meester. Zijn de diverse historici het wel eens over kata als leermethodiek, over de doelstelling en toepassingen lopen de meningen nogal uiteen. Met als achtergrond de Boeddhistische en Taoïstische grondslagen uit het Shaolinklooster is het niet vreemd dat kata een behoorlijke esoterische lading had. Wie weet, werd kata van oorsprong in het klooster wel ontwikkeld als weg naar verlichting (Nathan Johnson - Barefoot Zen). Een kleine aanwijzing vinden we misschien in de namen van enkele kata zoals Jitte = tempelhand, Jion = tempelgeluid, Shisochin = vier monniken conflict of Suparinpei = de definitieve 108 handen. 108 is ook een kosmologisch getal in het Boeddhisme met een link naar het aantal ademhalingen in meditatie. Daarnaast is de afstand tussen de aarde en de zon is 108 keer de diameter van de zon en de diameter van de zon is precies 108 keer de diameter van de aarde.

Daar de anatomische zwakheden van mensen vastliggen kan het zijn dat kata werd ontwikkeld als geheugensteuntje om reflexmatig met fysiek geweld om te gaan. De oefendrills in een twee aan twee situatie werden continu aangepast, getoetst en verfijnt. Om al die verschillende scenario’s te onthouden werden ze in solovormen gegoten en werd het kata een gestileerde vorm ( McCarthy – Karate masters ).  De verschillende namen die we tegenkomen bij kata als Rokushu = zes handen, Seipai = achtien handen,  Niseishi = vierenvijftig stappen en Pechurin (wederom 108 handen) zijn wellicht verwijzingen naar de applicatie en betekenis van de drills.

Matsumura, Azato en Itosu waren alle drie werkzaam als ambtenaar aan het hof van Shuri en zullen ongetwijfeld Tode en Kobujutsu kata met elkaar hebben beoefend. Tot waneer deze trainingen in het ‘geheim’ plaats vonden is niet precies duidelijk. Geheim tussen aanhalingstekens want in 1867 vond er in het openbaar een demonstratie plaats van het kata suparinpei (McCarthy – Standing on the Shoulders of Giants). Dit was dus één jaar voor de Meji reformatie en Okinawa zuchtte nog onder de bezetting van de Satsuma. 


De Itosu school.

In 1868 wordt Gichin Funakoshi in Yamakawa-cho geboren en komt er een einde aan het feodale Tokugawa Sogunaat.  De omwenteling van de Meiji reformatie is van invloed op de ontwikkeling van het Tode zo zal spoedig blijken. De laatste koning Sho Tai wordt naar Tokyo verbannen, het wapenedict komt te vervallen, het hof en edelen raken hun privileges kwijt en de krijgskunst is niet meer voorbehouden aan de hogere klasse.  Tode zoals karate dan nog wordt genoemd, wordt steeds meer in het openbaar onderwezen door de voormalige ambtenaren van het hof. Met name Itosu is verantwoordelijk voor modernisering van het Tode. Zo ontwikkelde hij de Pinan kata als leermethodiek voor lichamelijke opvoeding op de basisschool, vormde het lesmodel om van individueel naar klassikaal onderwijs, bracht veranderingen aan in diverse kata en liet veel bunkai totaal achterwege. Indien er toch  applicatie’s werd getoond waren dit  de ‘ongevaarlijke’ (omote) technieken. De oorspronkelijke diepere en verborgen (ura) betekenis van de bewegingen werden niet meer gedoceerd. Dit had tot gevolg dat er een nieuwe generatie leraren werd opgeleid waarbij het accent meer lag op de vormende waarde namelijk Do dan de toepasbaarheid Jutsu en ging veel kennis omtrent katabunkai verloren. Door seminars van leraren als Vince Morris, Ian Abernethy en natuurlijk Patrick McCarthy krijgen we weer wat meer inzicht in de vermoedelijke oorspronkelijke toepassingen van kata.                                                                                                                                    

Van de groep leraren die uit de Itosu school voorkwamen zou uiteindelijk in 1921 de keuze op Gichin Funakoshi vallen om het Tode in Japan te gaan promoten. Vermoedelijk heeft de keuze voor Funakoshi te maken met zijn academische achtergrond en intellectuele kwaliteiten. Funakoshi was al eens in 1917 voor een demonstratie van Tode naar Kyoto afgereisd maar waarom hij dit niet vermeld in zijn biografie ‘Karate-do my way of life’ blijft onduidelijk. My way of life geeft overigens wel een aardig beeld van het Tode op Okinawa en Funakoshi’s harde werk om het karate in Japan van de grond te krijgen. Ook voor Funakoshi zelf zijn een aantal gebeurtenissen na zoveel jaar niet meer altijd even duidelijk te achterhalen. Na de succesvolle demonstratie in de kodokan schrijft hij een enthousiaste brief naar Itosu om in Tokyo te blijven ( My way of life pagina 72). Het is inmiddels 1922, zes jaar na het overlijden van Itosu..…..  Hoe dan ook, het blijft een feit dat deze bescheiden man groots werk heeft verricht om het karate te promoten. Wil je meer weten over het karate op Okinawa met diverse demonstraties klik dan hier


Ohtsuka sensei tijdens een meeting met diverse karatemeesters ergens begin jaren 30. vlnr: Kanken Toyama, Ohtsuka sensei zelf, Takeshi Shimoda, Gichin Funakoshi, Choki Motobu, Kenwa Mabuni, Genwa Nakasone en kobujutsu meester Shinken Taira. 

Toyama, Funakoshi, Motobu, Mabuni en Taira zijn allemaal geheel of gedeeltelijk voormalige leerlingen van Itosu.