Sugasawa Sensei

sensei(3)(7)Sugasawa sensei is geboren in 1950 in de stad Sawara Chiba ken. Zijn eerste kennismaking met karate verliep via een oudere broer die lid was van de locale dojo en thuis zijn technieken trainde op de makiwara. In 1969 werd hij lid van de karatedojo op de Meiji Universiteit en kwam hij in contact met Hironori Ohtsuka meijin en zijn zoon Jiro Ohtsuka, de 2e grootmeester van de wadoryu renmei. Door zijn enthousiasme en technische capaciteiten werd hij benoemd tot team captain van het Meiji-karateteam. De trainingen op Meiji bestonden voornamelijk uit het drillen van kihon en pittige knokpartijen. De trainingen van Ohstuka sensei op Meiji hadden echter een heel ander karakter en Sugasawa sensei realiseerde zich al snel dat daar de verdieping moest worden gezocht. Na zijn universiteitsperiode volgde nog een intensieve training in de hombu dojo voor een periode van 6 jaar. Onder het toeziend oog van Hironori Ohtsuka sensei en Jiro Ohtsuka sensei werden hem de fijne kneepjes van het wadoryu bijgebracht.

Een uniek team van Japanse wado instructeurs kwamen in de ‘60 en 70er jaren naar Engeland en de rest van Europa om het wado te verspreiden. Deze selecte groep werd door een enthousiast publiek ontvangen en legde de basis voor de komende generatie van talentvolle karateka’s van Europese bodem. Sugasawa sensei behoorde tot de kern van deze selecte groep want als rechterhand van Tatsuo Suzuki stond hij midden in de cirkel van de vele ontwikkelingen die het wado zowel politiek als technisch in de jaren 80 zou doormaken. De lijn van Tatsuo Suzuki of Hironori Ohstuka I & II, Sugasawa sensei heeft alle drie de stromingen getraind. Dit geeft hem een unieke postie in wado met een gigantisch arsenaal aan technische know how en expertise. Zijn kwaliteiten bleven niet onopgemerkt. Zo assisteerde hij bij diverse publicaties en fungeerde hij als kumitepartner van Tatsuo Suzuki in de intro van de BBC documentaire ‘The way of the warrior’ .

Shikukai.

Na het uiteenvallen van de Engelse wado in 1990 werd met de oprichting van Shikukai een nieuwe weg ingeslagen als één van de vertegenwoordigers van de wadoryu renmei onder leiding van Hironori Ohtsuka II. In 1994 verleende Ohtsuka sensei hem een speciale onderscheiding de ‘Ko Ro Sho’ voor zijn toewijding aan het wadoryu en steun en verdienste aan de wadoryu-renmei. In 2005 werd hij door Ohtsuka sensei gegradueerd tot 7e dan renshijun karate-do. Medio 2006 is Shikukai Karate International een onafhankelijke organisatie met aansluitingen in diverse Europese landen met als doelstelling het doorgeven van pure wado filosofie en techniek.

Samen met Tim Shaw sensei bezoekt Sugasawa sensei elk jaar in september onze school om zijn kennis met ons te delen. De combinatie van zijn technische expertise, een kwalitatieve trainingsopbouw en zijn ontspannen persoonlijkheid is elke training weer inspirerend. Voor diverse demonstraties van Sugasawa sensei klik op multimedia in de menubalk en kijk bij video

Sugasawa sensei interview.
sensei intervieuw 2(2)(2)Onderstaande tekst is verschenen als artikel in de Taiko na een interview met Sugasawa sensei door Martijn en Robert Vernooy in Gyomaendrod, Hongarije op 6 augustus 2010. De tekst bevat passages van het interview en zijn aangevuld met op en aanmerkingen van Sugasawa sensei tijdens die trainingsweek.Tijdens zijn laatste stage in Utrecht sprak hij over `de diepte van de beweging’.

Sugasawa sensei kiest zijn woorden met dezelfde bijna rituele zorgvuldigheid waarmee hij zijn eitje pelt. Bedachtzaam pelt hij de oppervlakkige lagen van een junzuki af om tot de kern van de zaak te komen. Volgens hem gaat het niet slechts om het maken van een stoot met een voorwaartse verplaatsing. `Dat is slechts één aspect van de beweging. Het lichaam heeft echter meerdere dimensies: voor en achter, links en rechts, boven en onder. Als je teveel de nadruk legt op zo hard of zo snel mogelijk stoten, gaat dat ten koste van de aandacht voor de andere dimensies. Het lichaam neigt naar voren omdat het meegaat in de stoot. Zo leidt de fixatie op één ding (itsuku) tot een disbalans. Door de hiel van het achterste been aan de grond te houden kun je voorkomen dat de beweging te veel voorwaarts gericht raakt. Als je aanvalt, moet je je tegelijkertijd bewust zijn van de defensieve kant van je beweging. Een offensieve instelling maakt het moeilijk om jezelf te verdedigen ‘.Volgens Sugasawa sensei is de hiki-te (terugtrekkende hand) even belangrijk als de tsuki-te (stotende hand). `Beide moeten met elkaar in evenwicht zijn, omdat ze allebei voortkomen uit dezelfde heuprotatie. Er gaat evenveel energie naar voren als naar achteren, waardoor de beweging neutraler wordt en de seichusen (centrale lijn) niet wordt verstoord. Het gaat erom dat het lichaam zich als één geheel beweegt, dat er een evenwicht is tussen de diverse dimensies: links en rechts, offensief en defensief, yin en yang.

Kata
Ook de kata zijn voor Sugasawa sensei in de eerste plaats een vorm van bewegingsleer. Hij heeft moeite met het begrip `bunkai’, waarbij een kata wordt ontleed in losse onderdelen met specifieke toepassingen. Naar zijn mening is dit een erg beperkte opvatting, die in een gevecht weinig praktische waarde heeft. Bovendien zullen we volgens hem nooit zeker weten wat er oorspronkelijk bedoeld werd toen de kata werden ontwikkeld.Telkens weer stelt Sugasawa sensei de vraag: wat willen wij eigenlijk bereiken? Zelf ziet hij het bestuderen van kata in de eerste plaats als een manier om bepaalde bewegingsprincipes te bestuderen en het lichaam daarop te conditioneren, principes die overigens wel in een gevechtssituatie kunnen worden toegepast. Uit zijn nadruk op het loslaten van fixaties blijkt dat het hierbij niet alleen gaat om een lichamelijke oefening, maar ook en misschien wel vooral om een geestelijke training.

Het begin van de techniek.

Wat Sugasawa sensei vooral interesseert, is het begin van een beweging (waza no okori taru tokoro). Volgens hem ligt het accent te vaak op het eind van een beweging, met name als men het over `kime’ heeft. Het eindpunt van een stoot is niet meer dan het punt waar je arm ophoudt. Als een techniek alleen gericht is op het eind van de beweging, wanneer de arm helemaal gestrekt is, heeft zij geen penetrerend vermogen meer. Dat is het moment waarop veel mensen alles aanspannen, en daardoor de optimale afgifte van de door hen opgewekte energie belemmeren. Bij een goed ingezette techniek maakt het in principe niet uit op welk punt van de beweging het raakvlak zich bevindt. Kime moet uit je hele lichaam komen, en niet alleen uit je vuist. De sensei vertelde dat grootmeester Ohtsuka hem had geleerd dat hij zijn vuist niet moest samenknijpen, maar hem zo moest houden alsof hij er een klein eitje in had. `Als je al enige spanning moet voelen, dan is dat in je buik (seika tanden) en niet in je arm of je knokkels.’ In deze visie is een stoot of trap niet meer dan een bijproduct van een heupactie, zijn de ledematen slechts instrumenten voor het overdragen van de in je hara gegenereerde energie. Als je je te veel laat leiden door emoties zoals angst en haat of je al te zeer op één ding concentreert, bijvoorbeeld zo hard mogelijk stoten, ontstaan er allerlei onnodige bewegingen (mudana no ugoki) die je intenties verraden en de effectiviteit van je techniek ondermijnen. De kunst is om te vechten met de onbevangenheid van een baby, die een volwassene onverwachts in het gezicht kan slaan omdat hij in zijn spontaniteit geen voor- of bijbewegingen maakt. Misschien is deze `baby mind’ wel het diepste niveau dat een beoefenaar van het wado-karate in een beweging kan bereiken.